054. Bijbelstudie over
DE GEMEENTE AAN HUIS - HE KAT’
OIKON EKKLESIA h kat¢ oikon ekklhsia
Wij
zijn inmiddels aangekomen bij het laatste deel van deze driedelige reeks
bijbelstudies waarin wij de taalkundige en inhoudelijke betekenis van zowel de
nieuwtestamentische geloofsgemeenschap alsook de plaats van de samenkomst
onderzoeken en bestuderen. En zo verdeeld deze geloofsgemeenschap is, zo
verdeeld is men ook over de vraag naar de juiste benaming ervan. Christenen
met een reformatorische, rooms-katholieke of orthodoxe achtergrond hebben het
over de “kerk” terwijl het woord “gemeente”
een ingeburgerd begrip is onder christenen uit vooral de evangelische hoek,
maar ook in het Jodendom gebruikt wordt. Wij zijn tot
de conclusie gekomen dat de naam “kerk” voor ons onaanvaardbaar is omdat deze
een heidense oorsprong heeft en de kloof tussen het Christendom en het Jodendom
daardoor alleen maar verbreedt. De naam “gemeente” daarentegen is wel bijbels
en geniet derhalve onze voorkeur. Het is interessant om zowel in de bijbelse
grondteksten alsook in de vertaling te kijken naar de etymologische oorsprong
van deze naam. Het Nederlandse woord “gemeente” komt van het Germaanse “gimeinida”, het Oudsaksische “gimēntha” en het Gotische “gamainþs”
en is afgeleid van “gemeen”. Een andere vorm van dit woord is “gemeenschap”,
dat komt van het Germaanse “gimeini”, het
Oudsaksische “gimēni” en het
Gotische “gamainei” met de betekenis van
“vergaderde menigte”. Het woord “gemeente” ofwel “gemeenschap” omvat een groep
mensen die iets gemeenschappelijks hebben, dat kan dus bijvoorbeeld dezelfde
woonplaats zijn. Daarom wordt het totale aantal inwoners van een dorp of stad
of een groep dorpen of wijken bij elkaar een “gemeente” genoemd. Een gemeente
of een gemeenschap kan ook bestaan uit een groep mensen met dezelfde
doelstellingen, hobby’s of kenmerken, maar ook hetzelfde geloof. Voor een
juiste definitie van het woord “gemeente” bestaat er dus in principe geen
onderscheid in maatschappelijk of religieus gebruik.
lhq Qahal en hdi Eda
Het Hebreeuwse woord lhq qahal, waarvan het Jiddische woord “Kehille” is afgeleid, wordt in totaal 123 keer in de TeNaCH, de Hebreeuwse Bijbel, genoemd: 86 keer als
gemeente, 17 keer als vergadering en 20 keer als menigte. hdi eda
is een synoniem voor lhq qahal en komt in de TeNaCH in totaal 149 keer voor, namelijk 124 keer als
gemeente, 9 keer als vergadering, 14 keer als menigte, 1 keer als volk en 1
keer als zwerm. Het woord lhq qahal komen
wij voor het eerst in ty>arb B’reshit [Genesis] 28:3
tegen, waar Yitz’chaq [Isaak] zijn zoon Ya’aqov [Jakob] zegent met de woorden: “Moge El Shadai [de Almachtige G’d] je zegenen en je
vruchtbaar maken en talrijk, zodat je uitgroeit tot een grote menigte volken.”
De Willibrordvertaling gebruikt hier evenals de NBG-vertaling de Nederlandse
woorden “menigte volken” voor het Hebreeuwse ,ymi lhq q’hal amim. De Joodse Dasberg-vertaling heeft het
daarentegen over een “gemeenschap van volkeren” en geeft daarmee aan dat
hier sprake is van een aantal volken die iets gemeenschappelijks hebben. Met
het woord “gemeenschap” komt de vertaling van lhq qahal volgens
mij beter tot zijn recht dan met het woord “menigte”, want “menigte” zegt wel
iets over een groot aantal, maar niets over de onderlinge band van deze volken.
Het woord hdi eda treffen we voor het eerst aan in tvm> Sh’mot [Exodus] 12:3 waar de Eeuwige aan Moshe [Mozes] en Aharon
[Aäron] de opdracht geeft: “Spreekt tot de gehele vergadering van Israël als
volgt…” Voor deze passage gaat mijn voorkeur zowel naar de NBG-vertaling
alsook naar de Statenvertaling uit, die het Hebreeuwse lar>y tdi9lk kol edat Yis’ra’el in het Nederlands weergeven met “de
gehele vergadering van Israël” ofwel “de ganse vergadering van Israël”.
De Nieuwe Bijbelvertaling en de Willibrordvertaling kiezen beiden voor
“gemeenschap” en de Dasberg-vertaling gebruikt hier het woord “gemeente”. In
dit geval vind ik echter “vergadering” meer op zijn plaats, want Moshe moest de Israëlieten immers in vergadering
bijeen roepen om aan hen de richtlijnen voor het vieren van Pesach mee te delen. In deze tekst kan echter nooit
het hele volk bedoeld zijn, want het zou echt onmogelijk geweest zijn om
honderdduizenden Israëlieten bij elkaar te roepen op een tijdstip waarop zij
nog steeds slaven waren en dus niet over de vrijheid beschikten om aan deze
oproep gehoor te kunnen geven. Het lijkt mij daarom wat realistischer om ervan
uit te gaan dat Moshe alle
volksvertegenwoordigers bij elkaar geroepen heeft en daarom vind ik “de
gehele vergadering van Israël” hier een betere vertaling dan “de hele
gemeenschap van Israël”. Een vergadering is immers een term voor het bijeen
roepen van mensen om afspraken met elkaar te maken, zaken te regelen of zoals
in dit geval om g’dsdienstige zaken met elkaar te bespreken. Drie verzen
verderop in hetzelfde hoofdstuk, namelijk in tvm> Sh’mot
[Exodus] 12:6, worden lhq qahal en hdi eda naast elkaar gebruikt in verband met het pesachlam en het is interessant om te zien hoe de
uitwisselbaarheid van beide termen in de diverse vertalingen duidelijk naar
voren komt. In de Statenvertaling lezen wij: “En gij zult het in bewaring
hebben tot de veertiende dag dezer maand; en de ganse gemeente der
vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.” In de
NBG-vertaling staat het precies andersom: “En gij zult het bewaren tot de
veertiende dag van deze maand; dan zal de gehele vergadering der gemeente
van Israël het slachten in de avondschemering.” De ene vertaling zegt: “de
gemeente der vergadering” en de andere zegt: “de vergadering der
gemeente”, maar in feite is het helemaal niet relevant in welke volgorde
deze woorden geplaatst worden, want waar het om gaat is dat die dag de
voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer moet slachten en
dat is de exacte formulering die de Nieuwe Bijbelvertaling voor dit vers heeft
gekozen. Maar let op! Niet in alle teksten waar lhq qahal en hdi eda
voorkomen gaat het om een g’dsdienstige bijeenkomst,
want afhankelijk van de context kunnen deze woorden ook een maatschappelijke
betekenis hebben.
hvhy lhq Q’hal haShem
In een
aantal passages wordt de term “gemeente” ook collectief toegepast op G’ds volk
Israël, in christelijke vertalingen “de gemeente des HEREN” genoemd. In
de Hebreeuwse grondtekst staat hvhy lhq q’hal
haShem en daarin is het woord “gemeente”
verbonden aan de naam van G’d. Voor het eerst komen wij deze constructie tegen
in het vierde boek van de Tora, rbdmb B’mid’bar [Numeri], en wel in de p’suqim
16:3 en 20:4. In totaal wordt er over de “gemeente
des HEREN” in de hele TeNaCH 12 keer gesproken in 10 teksten. Helaas wordt deze
benaming ten onrechte maar al te vaak op de kerk uit de heidenen, het
christendom, toegepast. G’ds Woord echter laat er geen twijfel over bestaan dat
deze term op de eerste plaats op G’ds eigen volk Israël toegepast mag worden en
daarnaast slechts op de gelovigen uit de heidenen die zich bij Zijn volk
aansluiten. In ,yrbd D’varim [Deuteronomium] 23:3 zegt de Eeuwige weliswaar: “Een
Ammoniet of Moabiet zal niet in de gemeente des HEREN komen; zelfs hun tiende
geslacht zal nimmer in de gemeente des HEREN komen”, maar Hij kijkt naar
het hart van ieder mens, want Hij is rechtvaardig. Als dat niet zo was, dan
zouden de grootste koningen van Israël, David en Sh’lomo [Salomo] en zelfs Yeshua
haMashiach nooit geboren zijn, want zij allen
kwamen voort uit een Moabitische die met een oprecht hart gezegd heeft: “Uw
volk is mijn volk en uw G’d is mijn G’d!” Deze Moabitische vrouw was Rut. Ook zij behoorde tot
de hvhy
lhq q’hal haShem
omdat zij begrepen heeft dat de G’d van Israël onlosmakelijk met Zijn volk
verbonden is en haar houding mag velen als voorbeeld dienen. Wat mij overigens
hierbij opviel is dat het woord hdi eda weliswaar 124 keer in de TeNaCH
met “gemeente” vertaald wordt, maar dat in verband met de “gemeente des
HEREN” uitsluitend het woord lhq qahal toegepast wordt, waardoor ik de indruk krijg, dat lhq qahal misschien een
diepere betekenis heeft dan hdi eda. Maar ik kan het natuurlijk ook wel mis hebben. In elk
geval is het een feit, dat de Griekse vertaling van de TeNaCH, de Septuaginta, het woord lhq qahal zowel met ekklesia
ekklēsia alsook met sunagwgh synagoge vertaalt, maar het woord hdi
eda alleen met sunagwgh
synagoge. De synagoge hebben we reeds
in de vorige bijbelstudie heel uitvoerig behandeld en daarom zullen we onze
aandacht in de rest van deze studie geheel op de ekklēsia richten.
ekklesia ekklēsia
We gaan
nu het woord ekklesia ekklēsia in B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nader bekijken. Daarin komt dit
woord 115 keer voor als gemeente en 3 keer als vergadering. Eigenlijk hebben
beide woorden die doorgaans met “gemeente” vertaald worden, zowel het
Hebreeuwse lhq qahal
alsook het Griekse ekklesia ekklēsia de betekenis van: “bijeen roepen” ofwel “mensen
ergens uit vandaan roepen”. In politieke of maatschappelijke zin kon dit in
het oude Griekenland een vergadering van burgers zijn, die door een heraut uit
hun huizen werden geroepen naar een volksvergadering op een openbare plaats of
in g’dsdienstige zin een vergadering van
gelovigen voor een eredienst in een huis of in de vrije natuur. In elk geval
heeft het woord ekklesia ekklēsia zowel in de betekenis van “gemeente” alsook in de
betekenis van ‘samenkomst” altijd betrekking op mensen en nooit op een bepaald
gebouw en daarom is het zowel taalkundig alsook inhoudelijk onjuist om ekklēsia met “kerk” te vertalen. Zoals gezegd kan het woord ekklesia
ekklēsia dus een religieuze of maatschappelijke betekenis hebben,
maar dat kunnen wij slechts uit het tekstverband opmaken. Enkele voorbeelden
hiervan vinden wij in tvlipm Mif’alot [Handelingen]
Een
lichaam bestaat uit cellen en ook bij het lichaam van Yeshua is dat niet anders,
want ook de gemeente is opgebouwd uit cellen ofwel celgemeenten en zoals een
natuurlijk lichaam in leven blijft door celdeling, zo vindt ook bij dit
geestelijk lichaam celdeling plaats. De omvang van een huisgemeente wordt
immers bepaald door de grootte van het huis. Een huisgemeente kan dus uit
minimaal 3 en maximaal 30 personen bestaan. Meer mensen passen doorgaans niet
meer in de zitkamer van een woonhuis. Een enkele keer kon het voorkomen dat een
huisgemeente maximaal 40 personen kon herbergen, maar dan praten we over een
Romeinse villa waarin de samenkomsten in het binnenhof plaats vonden, want dat
kon natuurlijk wel in de warme mediterraanse streken, maar over het algemeen
telde een gemiddelde huisgemeente in de tijd van Sha'ul [Paulus] vijftien tot twintig
personen. Als er door hun getuigenis en prediking steeds meer stadsgenoten tot
geloof kwamen, dan vond de groei niet plaats door de gemeente te laten
opzwellen tot een grote groep van honderden of zelfs duizenden mensen waarmee
men een kathedraal of stadion kan vullen, maar dan vond de groei plaats door
vermenigvuldiging van de huisgemeenten, vergelijkbaar met de celdeling in het
menselijk lichaam. Zodra de natuurlijke grens van 15 tot 20 personen, of
afhankelijk van de beschikbare ruimte in het huis hooguit 30 personen in zicht
kwam splitste de celgemeente zich op en werd er in het huis van iemand anders
een nieuwe huisgemeente opgestart die zelfstandig verderging. Zo werd er op een
natuurlijke wijze voorkomen dat het gemeenteleven in gedrang zou komen door het
overschrijden van de ruimtelijke capaciteit, want we moeten ons daarbij steeds
voor ogen halen dat de gelovigen niet dicht opeengepakt naast elkaar op lange
kerkbanken zaten om eventjes te gaan zingen, bidden, naar de preek te luisteren
en vervolgens weer naar huis te gaan, maar dat de samenkomst een sociaal
gebeuren was met een uitgebreide gezamenlijke warme maaltijd. Zij gingen met
elkaar aanliggen. Daarvoor heb je uiteraard ruimte nodig en om deze reden was
de omvang van de huisgemeente afhankelijk van de beschikbare ruimte. Dreigde de
grens van het maximaal toelaatbare aantal mensen overschreden te worden, dan
vond er dus een celdeling plaats. Zo functioneerden de celgemeenten als een
organisme en niet als een strakke organisatie zoals de meeste huidige kerkgenootschappen,
en laten we eerlijk zijn: wat is het lichaam van Yeshua in wezen? Een organisatie of een
organisme? Volgens mij heeft Yeshua nooit van de gelovigen verlangd dat zij zich zouden
organiseren in kerkgenootschappen, maar dat zij met elkaar zouden omgaan als
een Mishpacha,
een huisgezin met broertjes en zusjes, allemaal kinderen van één Vader. Maar
helaas zijn de grote kerken tegenwoordig vaak gemeenten zonder gemeenschap, om
het maar zo te zeggen. Dat was nooit G'ds bedoeling. We kunnen G'd niet blij
maken met bidden en zingen alleen, ook niet met handjesgeklap, maar we kunnen
Hem wel blij maken met een onderlinge liefdesband, als wij G'd liefhebben en
onze naaste als onszelf. Dat laatste kunnen we in praktijk brengen door voor
elkaar klaar te staan en gemeenschap met elkaar te hebben in goede en slechte
tijden. G'ds Woord leert ons dat geloof zonder werken een dood geloof is, want:
"Zoals het lichaam dood is zonder de ziel, zo is ook geloof dood zonder
daden." (bqiy Ya’aqov [Jacobus] 2:26).
Congregationele gemeenten, dus officiële kerkgenootschappen zoals wij die nu
kennen, werden in de vierde eeuw door keizer Constantijn geïntroduceerd en door
de splitsing van het Romeinse rijk in een oostelijk en een westelijk rijk vond
ook de eerste kerksplitsing plaats. Zo ontstond de Griekse kerk in
Constantinopel naast de Latijnse kerk in Rome. De oosters-orthodoxe kerk en de
rooms-katholieke kerk hebben na de tijd van Constantijn de Grote een religieus
systeem ontwikkeld waarin een soort christelijke tempel centraal stond. Dat kon
een kapelletje, een klein kerkje, maar ook een basilica, een dom of zelfs een
kathedraal zijn, maar voor de ware gelovigen bestaat er sinds de verwoesting
van de tempel in Jeruzalem niet meer zoiets als een "G'dshuis" dat
door mensenhanden is gemaakt. Een kerkgebouw heeft geen enkel bestaansrecht
naast de tempel en de synagoge, want: "de tempel was geen voorloper van de
ecclesia en de ecclesia is geen variant van de synagoge", schreef de
bekende theoloog J.C. Hoekendijk. En toch zijn er tegenwoordig hele grote
megakerken met samenkomsten in voetbalstadions of zelfs in een reusachtige
miljoenenverslindende kristallen kathedraal. Allemaal pracht en praal, maar hoe
groter de gemeente, hoe meer haar leden in de anonimiteit terechtkomen met alle
gevolgen van dien. Congregationele kerken ontlenen in tegenstelling tot de
bijbelse huisgemeenten hun identiteit aan een denominatie, d.w.z. een
theologische opvatting. Hoe meer opvattingen des te meer denominaties, zo
simpel is dat. En dan praten we dus niet meer alleen over de traditionele
kerken, maar ook over de evangelische gemeenten. In de Bijbel komen we echter
geen verschillende denominaties tegen, want het uiteindelijke doel is immers
niet het winnen van leden voor de eigen club, maar het winnen van zielen voor
G'ds Koninkrijk! Een huiskamer waar de gelovigen als een Mishpacha [huisgezin] met
elkaar omgaan en zowel hun materiele alsook hun geestelijke zegeningen met
elkaar delen is derhalve veel laagdrempeliger dan een kerkgebouw met allerlei regels
en tradities, want het is niet de bedoeling om de mensen in de gemeente te
halen, maar om de gemeente bij de mensen te brengen. Daarom ontlenen de
huisgemeenten hun identiteit niet aan een denominatie, maar aan hun stad of
dorp, zoals "de gemeente van Efeze" of "de gemeente
van Thessalonica".
Congregationele kerken kenmerken zich niet alleen door hun tradities, statuten
en eigen kerkgebouwen, maar ook door een administratief lidmaatschap en een
professioneel leiderschap, bestaande uit pastors en dominees met een vaste
salaris. De sterke professionalisering sinds de dagen van keizer Constantijn
heeft de gemeente eeuwenlang beheerst en de gelovigen kunstmatig verdeeld in
leken en geestelijken, want het vroege christendom heeft namelijk betaalde
priesters als middelaars tussen G'd en mens overgenomen van de heidense
religies, terwijl er volgens B'rit haChadasha [het Nieuwe Testament] slechts één Middelaar is tussen G'd
en mensen, en dat is niemand anders dan Yeshua zelf! (1 Tim 2:5). Geen priester, geen dominee, geen
voorganger, geen paus en ook geen Maria! Kortom: vrije huisgemeenten zonder een
professioneel, beroepsmatig leiderschap en zonder administratief lidmaatschap
zijn gewoon meer bijbels dan congregationele gemeenten van welke denominatie
dan ook.
h kat¢ oikon ekklhsia hē kat' oĩkon ekklēsía
Tegenwoordig zoeken velen naar
een gemeente waar ze zich thuis voelen, maar bijbels gezien is het net
andersom: de gemeente behoort juist daar te zijn waar de mensen zich thuis
voelen, namelijk thuis, in hun eigen huis. Het plaatselijk lichaam van Yeshua kwam vanaf het begin altijd in een of meerdere
woonhuizen bij elkaar, maar dat hing er natuurlijk van af hoe groot de groep
was. Tot zo een huisgemeente behoorde doorgaans niet alleen de huiseigenaar met
zijn gezin, maar vaak ook degenen van het personeel die tot het geloof zijn
gekomen alsook andere medegelovigen die weliswaar ergens anders woonden, maar
die toch trouw in dat huis de samenkomsten bezochten omdat ze dat om welke
reden ook in hun eigen hun niet konden doen. In elk geval vond de samenkomst
niet in een speciaal gebouw plaats, maar in in een gewone huiskamer. Dat was zo
in de tijd van Sha’ul [Paulus] en bleef ook zo
tot pakweg de eerste twee eeuwen van de gewone jaartelling. Uit zijn brieven
blijkt, dat er verspreid over het hele toenmalige Romeinse rijk gemeenten waren
die in gewone huizen bij elkaar kwamen. Ik kom daar straks op terug. Sha’ul gebruikte daarvoor een vaste uitdrukking: “de
gemeente aan huis”. In het Grieks is dat: h kat¢ oikon ekklhsia
hē kat' oĩkon ekklēsía. In het laatste
hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen, hoofdstuk 16, schreef hij in vers 3:
“Doe de groeten aan Prisca en Aquila, mijn medewerkers in dienst van de Mashiach Yeshua.” en dan in vers 5: “Groet
ook de gemeente die bij hen in huis samenkomt.” Zo staat het in de Nieuwe
Bijbelvertaling. De oude Statenvertaling formuleert het zo: “Groet ook de
Gemeente in hun huis” en de NBG-vertaling zegt: “Groet insgelijks de
gemeente bij hen aan huis.” In de Groot Nieuws Bijbel tenslotte lezen we: “En
doe ook de groeten aan de gemeente die in hun huis bijeenkomt.” - Hier gaat
het dus om de huisgemeente van Prisca en Aquila. Sha’ul laat hen allen hartelijk groeten en in hetzelfde hoofdstuk groet hij iets verderop nog veel
meer mensen zoals dit echtpaar en steeds in combinatie met hun huisgemeenten
zoals bijvoorbeeld in vers 10: “Groet de huisgenoten van Aristobulus”; in vers 11: “Groet de huisgenoten van Narcissus die in de Heer
geloven”; vers 14: “Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas en de broeders en
zusters die bij hen samenkomen”, vers 15: “Groet
Filologus en Julia, Nereus
en zijn zuster, en Olympas en alle heiligen die bij hen samenkomen” en tenslotte in vers 23: “Gajus, die mijn gastheer
is en die zijn huis voor de hele gemeente openstelt, laat u groeten.” Al deze citaten komen uit de Nieuwe Bijbelvertaling, maar
vers 23 wil ik toch ook nog even uit de Groot Nieuws Bijbel citeren: “De
groeten van Gajus bij wie ik te gast ben en die zijn huis openstelt voor de
hele gemeente.” Hier wordt dus een aantal
huisgemeenten genoemd samen met de namen van welgestelde broeders en zusters
die hun huizen voor de samenkomsten beschikbaar stelden, waarvan Aquila en Prisca de bekendste zijn. In
zijn eerste brief aan de Korinthiërs moet Sha’ul
in hoofdstuk 16 vers 19 de groeten van hen overbrengen. Ik citeer opnieuw uit
de Groot Nieuws Bijbel: “U moet de groeten hebben
van de gemeenten in Asia; ook van Aquila en Prisca en van de gemeente die bij hen thuis samenkomt, de hartelijke
groeten in de Heer.” In de Nieuwe
Bijbelvertaling lezen wij: “Ook Aquila en Prisca en de gemeente die bij hen in huis samenkomt laten u, met
wie zij één zijn in de Heer, hartelijk groeten.” De Statenvertaling zegt het wat plechtiger: “U groeten
zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is” en in de NBG-vertaling staat: “Vele groeten in de Here van
Aquila en Prisca en van de gemeente
bij hen aan huis.” Maar er zijn nog meer teksten waaruit blijkt dat de
plaatselijke gemeenten huisgemeenten waren, zoals bijvoorbeeld in Colossenzen
4:15, waarin Sha’ul volgens de Nieuwe
Bijbelvertaling schrijft: “Wilt u de broeders en
zusters in Laodicea groeten, en ook Nymfa en de gemeente die bij haar thuis samenkomt?” of in de
NBG-vertaling: “Groet de broeders te Laodicea; ook Nymfa met de gemeente bij haar aan huis.” Willibrord-vertaling: “Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die
in haar huis samenkomt” en tenslotte in de
Groot Nieuws Bijbel: “Breng onze groeten over aan de broeders en zusters in Laodicea, en aan Nymfa en de gemeente die
bij haar aan huis samenkomt.” - Een
laatste tekst die ik in het kader van deze studie aan u wil doorgeven is Filemon 1:2, om te
beginnen in de Nieuwe Bijbelvertaling: “Aan onze geliefde medewerker Filemon, aan onze zuster Apfia en onze medestrijder
Archippus, en
aan de gemeente die bij u thuis samenkomt.”
De NBG-vertaling zegt het een beetje anders, maar komt op hetzelfde neer: “Aan
de geliefde Filemon, onze medearbeider, aan Apfia, de zuster, aan Archippus, onze medestrijder, en aan de gemeente te uwen huize.” In de Willibrord-vertaling lezen wij: “Aan onze
geliefde medewerker Filemon, Apfia onze zuster, Archippus onze strijdmakker, en de gemeente bij u aan huis.” De Groot Nieuws Bijbel vertaalt het zo: “Aan onze
vriend en medewerker Filemon, onze zuster Apfia, onze strijdmakker Archippus en ook aan de gemeente die bij u thuis samenkomt.” Maar of men het nu heeft over de gemeente die bij u thuis
samenkomt, over de gemeente bij u aan huis of over de gemeente te uwen huize,
maakt allemaal niets uit. Feit is in elk geval dat de gemeenten die in de
brieven van Sha’ul [Paulus] en ook in het boek Handelingen genoemd worden,
geen kerkgenootschappen waren, dus geen congregationele gemeenten met eigen
kerkgebouwen, maar vrije huisgemeenten die niet tot de ene of andere
denominatie behoorden en geen lidmaatschap kenden, maar samen met de andere
huisgemeenten de plaatselijke gemeente vormden. De gelovigen waren geen lid van
een bepaalde gemeente, maar van het lichaam van Yeshua. Natuurlijk probeerde de tegenstander ook toen al om
verdeeldheid te zaaien en de diverse huisgemeenten tegen elkaar uit te spelen,
maar hun onderlinge liefdesband en hun gehoorzaamheid aan de Tora waren sterker
dan de vijand. Laten wij ook daarin het voorbeeld van deze eerste gemeenten
volgen en als men u vraagt van welke gemeente u bent, denk dan aan de woorden
van Sha’ul: “Broeders
en zusters, in de naam van onze Heer Yeshua
haMashiach roep ik u op om allen eensgezind te
zijn, om scheuringen te vermijden, om in uw denken en uw overtuiging volkomen
één te zijn. Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld, broeders en
zusters, dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: ‘Ik ben
van Paulus,’
een ander: ‘Ik van Apollos,’ een derde: ‘Ik van Keifa,’ en een vierde: ‘Ik van Christus.’ Is de Mashiach dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent
ondergedompeld?” (1 Korinthiërs 1:10-13).
Ik wil deze bijbelstudie derhalve beëindigen met de laatste woorden van Sha’ul in zijn tweede brief
aan de Korinthiërs, hoofdstuk 13, de verzen 11 tot 13, eerst vanuit de Groot
Nieuws Bijbel en als afsluiting uit de Willibrord-vertaling: “Tot slot,
broeders en zusters, groet ik u; zorg dat alles in orde komt, luister naar
goede raad, wees eensgezind en leef in vrede, en G’d, de bron van de liefde en
de vrede, zal met u zijn. Groet elkaar met de heilige kus. Alle heiligen
groeten u. De genadige goedheid van de Heer Yeshua haMashiach, de
liefde van G’d en de gemeenschap van Ruach
haQodesh [de heilige Geest] mogen u allen ten
deel vallen.”- “En nu, broeders en
zusters, vaarwel! Laat alles weer goed komen, neem mijn vermaning ter harte,
wees eensgezind, bewaar de vrede, en de G’d van liefde en vrede zal met u zijn.
Groet elkaar met de heilige kus. U groeten alle heiligen. De genade van de Heer
Yeshua haMashiach, de liefde van G’d en de gemeenschap van Ruach haQodesh [de heilige
Geest] zij met u allen.” - Amen!